BLOG

Van creatief ontwikkelaar van apps, e-learnings en 3D-animaties naar scheikundeleraar. Hans Kövi deed de lerarenopleiding en leerde al doende de kneepjes van het vak. In dit blog lees je over een beginnend docent met een visie en grote plannen op het gebied van serious gaming en vernieuwend onderwijs. 

BLOG 5: Ondernemend leren

Hoe maak je lessen die leerlingen zelf leuk vinden?

Hans: ‘Ik had daarover een idee en dat heb ik in een pilot gegoten. Ik heb een voorstel ingediend voor een pilotproject genaamd I&D (ICT & Development) bij mijn directie. Deze pilot start officieel in september van dit jaar en loopt 1 jaar. Alle leerlingen hebben toegang tot deze pilot. Ze mogen echter zelf bepalen of ze ook willen’.

Een pilot ICT & Development, leuk! Wat gaan de leerlingen maken?

‘Die leerlingen die willen deelnemen mogen zelf bepalen wat ze gaan doen. Misschien willen ze een app maken, een game, iets met drones, VR of robots doen, of misschien iets heel anders met ICT. Ze moeten zelf een project verzinnen en het zelf managen. Uiteraard mogen ze in groepen werken, of alleen. De bedoeling is dat ze op redelijk hoog niveau werken. De games worden bijvoorbeeld gemaakt in Unity3D of Unreal, beide professionele pakketten voor game-ontwikkeling’.

Hoe ga je dat in de praktijk doen?

‘Om te oefenen (het is ook voor mij en de school nieuwe kost) heb ik een pre-pilot gestart in maart van dit jaar. Ik heb leerlingen uitgenodigd die al in eigen tijd met ICT-projecten bezig waren. Daarnaast heb ik een extern expert op gebied van games en programmeren ingehuurd om een paar uur per maand vragen van leerlingen te beantwoorden.

Het belangrijkste hierin is dat leerlingen met zelfgekozen materie aan de slag gaan. De resultaten zijn erg interessant. Er zijn leerlingen die echt ingewikkelde code schrijven voor game-apps, leerlingen die zelf onderdelen ontwerpen en printen voor drones en leerlingen die robots bouwen’.

Krijgen de leerlingen hier tijd voor of een vrijstelling van andere vakken?

‘De leerlingen werken grotendeels in eigen tijd en worden ondersteund en gestimuleerd door een paar docenten en externe experts. Sommige leerlingen krijgen 1 of 2 uur vrijstelling van een vak, meestal Engels omdat de programmerende en robot bouwende leerlingen veel moeten opzoeken op Engelstalige sites en de zoekresultaten moeten interpreteren’.

Je laat de leerlingen dus veel zelf uitzoeken…

‘Dat laatste is belangrijk. Het geeft een korte blik op hoe leerlingen ook kunnen leren. Door de verplichte vakken te relateren aan voor hen betekenisvolle en motiverende projecten. In I&D zullen vooral Engels en wiskunde toegepast worden, mogelijk ook natuurkunde. Het huidige I&D zal gegevens opleveren die de pro’s en con’s laten zien van dit soort projecten. Mijn idee is dat we als scholen echt eens aan de slag moeten met het toestaan van andere vormen van leren. De wereld vraagt om ondernemers en mensen die kansen zien en weten te benutten, niet om mensen die stil zijn en doen wat de leraar vraagt. Misschien moeten we dit ‘ondernemend leren’ noemen. Eigen ideeën worden door leerlingen omgezet in producten die toepasbaar zijn en eventueel daarna weer aangepast naar nieuwe inzichten of wensen’.

Ondernemend leren, klinkt goed! Hoe zijn de resultaten van de pre-pilot?

‘Die zijn veelbelovend. Er wordt nu al op hoog niveau geprogrammeerd in Unity3D. We zien aan de andere kant ook leerlingen die niets met deze vorm van leren kunnen. Sommige leerlingen willen gewoon leren uit boeken en zo hun examen halen, of ze kunnen het op de ‘normale manier’ al met moeite bolwerken. Dat is allemaal prima. Belangrijke resultaten die ons laten zien hoe divers leerlingen zijn en dat er daarom nooit 1 vorm van lesgeven afdoende is’.

Wat zijn je verdere plannen? 

‘Ik zie na I&D een hele berg mogelijke projecten die te maken hebben met een combinatie van economie en scheikunde, wiskunde en economie, talen en natuurkunde, biologie en beeldende kunst, noem maar op. En dat zijn alleen nog maar mijn ideeën. Laat staan wat leerlingen zelf allemaal bedenken. Ik kan niet wachten. Ik zal me zolang ik kan inzetten om leerlingen de kans te geven om ook op deze manier te leren’.

DE VORIGE KEER…
BLOG 4: De kunst van het lesgeven

‘Waarom moet ik dit leren…??’

Hans: ‘In mijn vorige blog ging het over de verantwoordelijkheid in het onderwijs, met name bij de opleiding tot docent. Nu zou ik eens willen kijken naar de manier waarop we lesgeven. Ik zit hier nu te kijken naar mijn zoon die zich met de grootste tegenzin en zwaar gedemotiveerd door een stapel Duitse woorden heen worstelt. Hij verzucht om de zoveel tijd: Waarom moet ik dit leren? Die vraag werd tijdens mijn opleiding ook behandeld. Het antwoord, zo leerden we, moest vooral niet zijn “omdat het moet”.

Is er volgens jou een ander antwoord?

‘Laten we dat antwoord eens opsplitsen. Aan de ene kant moeten leerlingen bepaalde dingen leren omdat het nou eenmaal echt moet. Het is vastgestelde leerstof en zeker de bovenbouw moet de voorgeschreven stof leren. Het gaat om basiskennis en die heb je nodig om creatieve oplossingen te kunnen bedenken voor problemen. En daarnaast is het natuurlijk eindexamenstof. We moeten nu eenmaal allemaal het eindexamen halen. Daar valt weinig aan te doen. Er zijn mensen die bepalen welke stof eruit kan en welke wordt toegevoegd en dat is wat mij betreft allemaal prima. Ik ben blij dat ik de inhoud niet hoef te bepalen. Tot zover duidelijk, toch?’

Aan de andere kant zegt dat antwoord iets bijzonders…

‘De vraag kan namelijk ook gesteld worden als ‘waarom moeten we dit op deze manier leren?’. Waarom moeten leerlingen die mijn vak echt wel snappen en zelf kunnen studeren, elke les aanwezig zijn? Waarom zeggen we niet: “Jij (goede scheikundeleerling) mag de komende vier weken zelf bepalen of je in de les komt. Hier is de studiewijzer waarin staat wanneer ik wat behandel. Kom vooral even langs als je een vraag hebt. Na die vier weken ga ik oefenen voor het proefwerk en dan is het wel handig als je er bent”. Het antwoord is boekhoudkundig: Leerlingen moeten volgens de wet een x aantal uren per jaar les krijgen. Verplicht dus. En ook al snappen ze het allemaal al en vervelen ze zich te pletter, de les wordt verplicht door hun strot geduwd’.

Kun je dan geen leukere lessen maken?

‘De docent moet de les dan maar leuk maken en differentiëren, want dan letten de leerlingen namelijk wel op’, zo hoor je vaak. En dat werkt ook echt wel zo af en toe. Soms heb je leuke lessen en soms minder leuke lessen. Maar leuk volgens wie? Want als ik bijvoorbeeld dat ‘ontzettend leuke’ Kahoot! doe, vinden de leerlingen dat inderdaad best leuk, het is namelijk weer eens wat anders. Maar dan niet meer dan 1 keer, want daarna kennen ze het wel. Ik geef graag les met molecuulbouwdozen en maak er een quiz van. Ik deel de klas in 6 groepen, zet 6 molecuulbouwdozen voor de klas en projecteer een naam van een scheikundige stof op het bord. Voor elke naam zijn er per groep 2 leerlingen die het molecuul zo snel mogelijk moeten bouwen. Superleuk! Iedereen in de klas vond het te gek. Voor 1 keer dan, want als ik dit de les daarna weer wil doen, met nieuwe typen verbindingen, is nog slechts de helft van de klas enthousiast’.

Hoe maak je lessen die leerlingen wel leuk (blijven) vinden? Hoe combineer je kennis met vaardigheden en spreek je hun creativiteit aan? Daarover de volgende keer!

DE VORIGE KEER…
BLOG 3:  In theorie of in de praktijk… 

Je staat nu anderhalf jaar voor de klas…

Klopt, en ik heb een aantal interessante belevenissen achter de rug. Leuke klassen, minder leuke klassen, klassen die in een half jaar tijd van minder leuk naar leuk gingen en andersom. Vorig jaar stond ik voor de klas als zij-instromer. Tegelijkertijd deed ik mijn opleiding aan de UU om eerstegraads docent scheikunde te worden. Ik was al scheikundige, nu nog een jaartje leren over de didactische en pedagogische kant van het vak. Vergelijk het met autorijden. Na een slopende periode rijlessen kun je een auto besturen en weet je het een en ander over de regels in Nederland. Toch leer je pas echt autorijden in de praktijk. Dat weet iedereen.

Lesgeven is net autorijden.

Met lesgeven is volgens mij net zo. Ik heb geleerd dat het vak veel verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Ik werk met mensen (collega’s, leerlingen, ouders) en dat vergt creativiteit, eerlijkheid, leiderschap, noem maar op. Vaardigheden die ik al kende vanuit het bedrijfsleven en nu goed van pas komen.

Deze column gaat over de voorbereiding vanuit de opleiding op de schoolpraktijk. Daar heb ik zo mijn kanttekeningen bij. Let wel; ik heb alleen ervaring met de zij-instroomopleiding van 1 jaar.

Hoe verliep jouw opleidingsjaar?

Laat ik met de positieve kant beginnen. Ik vond de docenten van de opleiding zeer bekwaam en geschikt. Ze koppelden didactische en pedagogische theorieën aan de praktijk, maakten gebruik van diverse media, rollenspelen en gaven voorbeelden uit lesbezoeken. Hun reflectieve opdrachten waren sterk en volledig. Geen kwaad woord daarover!  Ik vond niet alle vakken even nuttig en relevant, maar dat kwam ook omdat ik veel van die zaken al uit mijn werkervaring kende.

Grotendeel positief dus. En wat vond je minder?

Elke leerling die eerstegraads docent  wil worden, moet tijdens het jaar een praktijkdossier samenstellen. Daarin komen reflecties, opdrachten en verslagen van lesbezoeken in. Het dossier geeft een beeld van de student uit de ogen van de docenten van de universiteit en de opleiders op school. Een visitekaartje dat ook na de opleiding van waarde is.

Wat viel je op?

Sommige van mijn medestudenten waren uitstekende academische studenten met hoge cijfers. Maar ze gaven een slechte performance voor de klas. Het waren de studenten die graag kant en klare oplossingen wilden voor bepaalde situaties. Studenten die moeite hadden om zelf creatieve oplossingen te verzinnen voor gebeurtenissen in de klas of zich vastklampten aan ‘het goede antwoord’. Aan het begin van de opleiding was dat natuurlijk geen enkel probleem. Ikzelf had gelukkig betere ervaringen maar ook bij mij ging (en gaat) het niet altijd zoals ik zou willen.

Met vallen en opstaan

Tijdens de tweede periode ging het bij de meeste studenten van mijn jaar wat beter voor de klas. Alle gemoederen waren weer bedaard en de klas zat ook weer in een rustiger vaarwater. Na de forming en storming fase zaten de leerlingen inmiddels in de norming- en performingfase (Tuckman, zie vorige post).

Toen kwam, tegen de zomer, de eindbeoordeling. De meesten van ons studeerden af tot eerstegraads docent, na een jaar van leren, vallen en opstaan. Tot mijn grote verbazing studeerde een medestudent (die met de uitstekende academische prestaties maar beroerde praktijkvaardigheden) cum laude af. Dat zat en zit me dwars.

Slechte prestaties voor de klas, toch cum laude?

Ik besloot de kwestie voor te leggen aan onze begeleider. Ik wilde weten hoe het kon dat een student met slechte prestaties voor de klas toch cum laude kan afstuderen. Het antwoord was dat deze student goed in het eindverslag had aangegeven wat er was verbeterd en dat goed had gekoppeld aan de theorie. Maar… eh, het was toch een praktijkdossier? Dat gaat toch over hoe je het doet en deed in de praktijk? En dat je laat zien dat je de theorie ook kunt toepassen in de praktijk en niet alleen op papier?

Tja, zo had de begeleider het nog niet bekeken. Had ik ook cum laude af willen studeren? Nee, echt niet, en dat is dan ook niet wat me dwars zit. Ik gun iedereen die hard heeft gewerkt de wereld. Het gaat mij erom dat er iemand cum laude kan afstuderen die geen cum laude praktijkprestatie heeft geleverd. Dat daarmee de waarde van zo’n praktijkdossier nihil is. Dat het dossier dus niks zegt over je didactische kwaliteiten als docent in de praktijk.

Verantwoordelijkheid bij de opleiding

Ik vind dat de opleiding kritischer moet zijn bij het opleiden en begeleiden van studenten. Daar ligt echt een verantwoordelijkheid bij de opleiding in mijn ogen. Het gaat niet enkel om academische kennis, maar om je vaardigheden en talent als docent, met je voeten in de klei. Je wilt geen docenten die alleen maar kunnen lesgeven zoals ze het hebben geleerd. Het gaat juist om docenten die actief meedenken, die openstaan voor vernieuwing en werken aan 21e eeuwse vaardigheden. Met vallen en opstaan, want leren doe je nog steeds het meest in de praktijk, maar met open blik naar de toekomst.

De vorige keer…
BLOG 2:  Het zijn stormachtige tijden!

Jazeker, Harvey, Irma en José zijn net langsgekomen en hebben flink huisgehouden. Orkaan Maria raast voorbij. En volgend jaar begint het allemaal weer opnieuw, nieuwe stormen, nieuwe namen. Er is een mooie analogie te maken met onderwijs. Het is nu namelijk ook stormseizoen op de scholen. En ook hier variëren de stormen in kracht.

Van een rustige bries tot een category 5 hurricane…

Het was Tuckman die er rond 1965 mee kwam. Iedere groep maakt een soort ritueel door met verschillende fases.  Leerlingen leren elkaar voorzichtig kennen –forming-, en gaan al snel op zoek naar de onderlinge sociale posities, soms met onderlinge conflicten. Tijdens de fase van conflictjes –storming– besteden ze weinig aandacht aan de lessen en de docenten. Ze leren elkaar beter kennen. In de volgende fase -norming- wordt duidelijk wie de leider in de groep is en wat de normen en regels zijn in de klas. De leerlingen beginnen beter samen te werken, kunnen halverwege het jaar goed samenwerken én zelfstandig werken en verantwoordelijkheid nemen –performing-. Er volgt dan nog een 5e fase waarin de groep weer uit elkaar gaat –adjourning-.

Aan het begin van het jaar geef ik één regel die leidend is: als ik de aandacht vraag of praat, kijkt iedereen naar mij en stopt met praten. Meer niet. Simpel, goed te behappen, eigenlijk een no-brainer.

Welke fases heb je zelf waargenomen in de klas?

Ik heb vorig jaar, mijn allereerste jaar als docent, heel duidelijk de fases storming, norming en performing gezien. Omdat ik in de derde en vierde klas lesgeef, was de fase adjourning minder sterk aanwezig. Ik kan me voorstellen dat die fase in 4 Mavo, 5 Havo en 6 VWO wel een grote rol speelt. Wat mij opvalt is dat het stormen ook bij docenten aanwezig is.

Het stormt ook bij de docenten dus?

Het regent straffen. Rode kaarten vliegen in het rond. Leerlingen worden de klas uitgestuurd en hun ouders worden gebeld. Ik hou niet zo van dat soort straffen. Leerlingen leren er niets van als ze de klas uitgestuurd worden en het geeft de leerlingen die het hardst onrust veroorzaken juist een bepaalde positie in de klas. Ik denk dat je de leerling alleen maar helpt om een grotere populariteit te bereiken in de klas als je hem of haar eruit stuurt. Soms is dat ook zichtbaar aan de glimlach waarmee ze de klas verlaten. Dat gesprek met de ouders overleven ze ook wel. Wat kan er nou helemaal gebeuren?

Jij houdt ze gewoon bij de les.

Toen ik vorig jaar begon aan mijn leraarscarrière heb ik me voorgenomen om de leerlingen maximaal ‘bij les’ te houden. Zowel letterlijk als figuurlijk. Ook als ze te ver gingen. Het ergste wat bij mij kon gebeuren is nablijven na de les. Dat werkt nog steeds prima, zeker als ik het 9e uur les heb. Hoe pak ik dat aan? Zoals gezegd is er 1 regel in mijn klas, namelijk dat iedereen zijn mond houdt en naar mij kijkt als ik de aandacht vraag. Dat lukt natuurlijk niet altijd, zeker niet tijdens het normen en stormen. Als een leerling niet oplet en gewoon door blijft praten, maan ik met wat meer kracht tot stilte. Ik vraag hem of haar om mijn vraag te beantwoorden. En uiteraard accepteer ik niet dat de leerling zegt het antwoord niet te weten. Ik laat de leerling redeneren, met mijn hulp, totdat hij of zij het juiste antwoord heeft gegeven. De klas mag meehelpen door hints te geven. Het resultaat is dat de leerling enorm in de spotlights staat in de klas (en dat soort aandacht vindt geen enkele leerling leuk) maar dat hij of zij uiteindelijk ook het antwoord kan geven.

Het mes snijdt dus aan twee kanten…

De leerling heeft pijlsnel door dat ik aan naming and shaming doe op het moment dat hij niet oplet. Op deze manier krijgt de leerling toch de kennis binnen, net als de rest van de klas. Die nu ineens wél oplet. Ik herhaal het principe een paar keer en ik merkte vorig jaar al snel verbetering. En dit jaar al na een week of 4. En het aparte is dat er op deze manier een sterk gevoel van veiligheid ontstaat in de klas omdat de leerlingen weten dat naming and shaming alleen maar voorkomt als je niet oplet.

En zo keert de rust vanzelf terug…

Zoals zo vaak in opvoeden moet je instructies en regels gewoon vaak herhalen. En ergens tussen de herfstvakantie en de kerstvakantie is het stormen klaar (voor zover mijn ervaring strekt) en wordt het rustiger in de klas. Net als in het echte hurricane season.

Blog 1: Waarom ben je docent geworden? 

De afgelopen 15 jaar speelden zich voor mij af in een wereld van ondernemerschap, met mooie pieken en diepe dalen. Ik ben ooit begonnen als ontwikkelaar van 3d animaties, in een tijd waarin dit een nieuw fenomeen was. Via het programmeren van interactieve cd-roms en dvd’s werd ik ontwikkelaar van e-learningapplicaties en online interactieve cursusmodules. Omdat ik in die tijd personeel kreeg, kwam ik zelf steeds minder toe aan ontwikkelwerk. Ik was vooral bezig om te vechten met een steeds maar groeiende berg blauwe enveloppen (voor de nieuwkomers: de belastingdienst stuurde je vroeger aanslagen in blauwe enveloppen en als ondernemer krijg je er nogal wat).

Uiteindelijk kreeg de kredietcrisis vat op mijn bedrijf, ik emmerde nog een paar jaar door, ontsloeg mensen en uiteindelijk werd mijn bedrijf overgenomen en werd ik creative director in wat ooit mijn eigen bedrijf was. Voor het eerst in m’n professionele leven was ik in loondienst. Mijn taak was geld verdienen door cursussen te verkopen die we dan vervolgens zelf maakten. Mijn wens was echter leuke, spectaculaire en vernieuwende e-learnings te maken.

Van zelfstandig ondernemer werd je loonslaaf in je eigen bedrijf… 

Het duurde al met al 4 jaar tot ik eruit gezet werd. Ik was te duur en te recalcitrant en ik kon niet overweg met beroerd leidinggevende ‘leidinggevenden’. Ik begon opnieuw als zelfstandige, maakte wat leuke e-learnings en concepten voor serious games en verdiende er aardig mee. Maar de lol om telkens weken en soms maanden te moeten onderhandelen over een paar duizend euro begonnen me tegen te staan. Ik wilde gewoon mooie en vernieuwende dingen maken, waar je echt iets aan zou hebben. Producten waar je echt iets van zou leren. Het bedrijfsleven had daar echter geen oren naar; ja, die wilden dat wel, maar dan voor een paar duizend euro. Te weinig om echt iets bijzonders te doen.

Wat maakte dat je het roer omgooide?

Ik was het zat! Ik dacht steeds vaker na over hoe moderne technologie, de moderne samenleving en leren kunnen samenhangen om een haalbare toekomst te bewerkstelligen. Ineens wist ik wat ik wilde gaan doen: een visie ontwikkelen waarin nieuwe, uitdagende maar vooral goed werkende leerconcepten vorm zouden krijgen! Niet gericht op het bedrijfsleven, nee dat hoofdstuk had ik afgesloten. Een paar suffe page turners met mooie plaatjes volstaat meestal voor het management. Nee, voor de middelbare scholieren! Daar ligt de basis! De jonge generatie die zelfstandig, lerend en creatief probleemoplossend de mensheid naar de nabije en verdere toekomst zal leiden.

Goed plan! Maar hoe wilde je dat ideaal bereiken?

Als ik dat wilde gaan doen, zou ik wel met de poten in de modder moeten! Ik had gelukkig al aardig wat ‘pedagogische’ ervaring als coach van diverse hockeyteams van mijn kinderen. Ik besloot docent te worden. Scheikundedocent, want ooit was ik afgestudeerd als moleculair wetenschapper (zeg maar biochemicus).

Ik kon zo de eenjarige opleiding voor eerstegraads scheikundedocent in en die voltooide ik binnen een jaar. Die opleiding vond ik leuk, interessant en nuttig, maar ik struikelde daar al over dingen die mijn didactische en pedagogische tenen deden krullen. Het kan veel beter in onderwijzend Nederland! Maar daarover later meer.

En toen de praktijk in.

Ik had het geluk om al tijdens mijn opleiding een baan te hebben als scheikundeleraar. Zo kon ik alle theorie meteen in de praktijk toepassen. Ik ben er bleu ingerold en speelde louter mezelf. Ik kon mijn werkervaring als coach, ondernemer en ontwikkelaar goed gebruiken. Het was een geweldig jaar! Ik had 4 klassen die me het best weleens lastig maakten, maar ik kwam nooit in de problemen en uiteindelijk was het een feest!

Een soepele start! Hoe speelde je dat klaar?

Door mezelf te zijn, duidelijke grenzen aan te geven en iedereen als gewenst en belangrijk persoon te zien en te behandelen. Ook als ze het bloed onder m’n nagels halen. Juist dan! Dat zijn mijn mooiste ervaringen.

Hoe pak je zo’n situatie aan?

Als een leerling te ver gaat en een stevige reprimande nodig heeft, neem ik de tijd voor een gesprek in de klas.  Eerst breng ik een onverwachte rust aan. Ik spreek de leerling aan op het verstoren van de les, maar ik blijf ook inhoudelijk doorvragen naar de stof waar ik op dat moment mee bezig was. Ik moedig de klas aan om de leerling te helpen, die zweet ondertussen natuurlijk een beetje van alle aandacht, totdat hij of zij het goede antwoord geeft.  De leerling krijgt ‘straf’ omdat hij op mijn manier in de spotlight staat, maar hij heeft ook het gevoel dat hij nu iets begrijpt en dat de klas hem helpt. Het werkt altijd! Niemand verwacht het en de uiteindelijke leeropbrengst is voelbaar aanwezig. Ik heb het hele jaar niemand eruit gestuurd en iedere leerling luisterde direct naar me als ik om stilte maande.

Het eerste jaar is afgerond, hoe kijk je naar de toekomst?

Ik begin nu aan mijn tweede jaar. Ik heb veel geleerd afgelopen jaar en die ervaring zal ik zeker gebruiken. Daarnaast heb ik ook dit jaar de doelstelling om leerlingen in de klas te houden, tijdens de les te betrekken en ze te fascineren voor scheikunde en wetenschap. Daar ligt mijn eerste prioriteit. Ik denk dat leerlingen leren als ze interesse in de materie hebben. Hoe je dat voor elkaar krijgt? Laten we het daar later over hebben.

Door: Hans Kövi & Fien